Vierde nota van wijziging van wijziging van toezicht op toezicht

Ook bij de “Vierde nota van wijziging van wijziging bij het wetsvoorstel herziening toezicht advocatuur” voor een College van toezicht op toezicht blijft het een preventief (?) toezicht op het afgelopen jaar en een reactief toezicht, naar aanleiding van kennisgevingen, signalen en klachten over advocaten die niet kwalitatief goed of niet volstrekt integer zijn en daarmee niet voldoen aan de Verordeningen. Toezicht moet niet worden gestapeld, maar gedrag en handelingen moeten worden aangeleerd om vanuit de eigen overtuiging aan de Verordeningen te voldoen. Proactief toezicht zou het zijn als de Orde advocatenkantoren faciliteert om hen met behulp van een onafhankelijke en objectieve (bedrijfs-)procesbegeleider bewust te maken van de voorschriften uit de Verordeningen. Zie http://www.hanekamp.eu/preventief-toezicht.

In de Vierde nota met de invoering van een toezichthoudend college op de toezichthouders van de orde lijkt in ieder geval wel punt 2, de onafhankelijkheid van de advocatuur en de vertrouwelijkheid van cliëntengegevens, geborgd.

Uitgangspunt toezichtsmodel:

  1. Zichtbaar en consistent toezicht op de advocatuur (met name het financiële toezicht, het proactieve toezicht, de kwaliteitsbewaking en de verantwoording), dat voldoet aan de eisen van onafhankelijkheid, transparantie, uniformiteit en effectiviteit.
  2. Waarborgen van de bijzondere positie van de advocatuur, diens onafhankelijkheid en de vertrouwelijkheid van cliëntengegevens. De advocaat is voor rechtzoekenden een sleutel voor de toegang tot het recht. Vanuit dat gegeven moet hij er volledig op kunnen vertrouwen dat zijn advocaat kwalitatief goed en volstrekt integer is. Om dat vertrouwen te kunnen waarborgen, is toezicht noodzakelijk.

De principiële vraag van de Orde:

  • Wie heeft de eindverantwoordelijkheid over het toezicht en de uitoefening van de toezichtsbevoegdheden?

Het toezichtsmodel:

De eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op advocaten en de feitelijke uitoefening van het toezicht ligt geheel bij de lokale dekens en de door hen ingeschakelde hulppersonen. Zij zijn de enigen die, met hulppersonen die zij zelf aanwijzen, van cliëntendossiers kennis mogen nemen om dat toezicht te kunnen uitoefenen. De leden van het college van toezicht, inclusief de algemeen deken in diens hoedanigheid van voorzitter, hebben geen toegang tot cliëntendossiers. Aan de lokale dekens wordt de bevoegdheid toegekend om in voorkomende gevallen een bestuurlijke boete of last onder dwangsom aan advocaten op te leggen.

De deken van de algemene raad (hierna ook: de landelijk deken) is van rechtswege het advocaat-lid alsmede voorzitter van het college. Het college van toezicht is belast met het bepalen van het toezichtsbeleid. De landelijk deken beschikt, als voorzitter van het college van toezicht, over de bevoegdheid om aanwijzingen te geven aan de lokale dekens in het kader van de uitoefening van hun taken op het terrein van toezicht en klachtbehandeling. Alvorens een aanwijzing te kunnen geven, dient de landelijk deken hierover de twee andere leden van het college te horen. De lokale dekens zijn gehouden het toezichtsbeleid uit te voeren en de aanwijzingen op te volgen.

 

Dit bericht is geplaatst in Artikelen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *